19/10/2025
Geert Wilders heeft een Indonesiche grootvader
De Indische wortels van Geert Wilders
Op 4 september schreef Lizzy van Leeuwen in De Groene Amsterdammer een essay over de politieke roots van Geert Wilders. Daarin ging het onder meer over vermeend wangedrag van Wilders’ grootvader in Indonesië en over de motieven van Indo’s om zich te blonderen. De auteur van het essay ontving talloze reacties, waarop zij nu reageert.
Lizzy van Leeuwen
25 november 2009 – verschenen in nr. 48
Cadeau geven
Delen
Leeslijst
BIJ DE GROTE HOEVEELHEID reacties op mijn essay over het postkoloniale tekort in Nederland, geïllustreerd door een andere visie op Geert Wilders, zaten enkele opzienbarende brieven en mails.
Eén daarvan had betrekking op de verschillende motieven van Indo’s om zich te blonderen. Dat er een precedent bestaat van het politieke motief om de Indo-afkomst te verbergen blijkt uit een reactie die ik kreeg uit Athens, Ohio, van de historicus prof. dr. Bill Frederick. Hij liet weten dat hij bij archiefonderzoek over de periode 1945-1950 in Oost-Java was gestuit op meldingen over gewelddadige geblondeerde Indo’s, die samen met Indonesiërs opereerden. Deze geblondeerde criminelen hielden huis in de omgeving van Soerabaja in de bersiap-periode (1945-1946) en als handlangers van pemoeda’s beroofden, ontvoerden en vermoordden zij zowel Indo’s en totoks als Chinees-Indische Nederlanders. Volgens Frederick hadden zij zich aangesloten bij de bende van de beruchte en gevreesde politieke terrorist Sabaroeddin, bijgenaamd ‘de Beul’, die in de regio honderden sadistische moorden op zijn geweten had, zowel op Indo’s, totoks, (vele) Indonesiërs als Brits-Indische militairen. Frederick veronderstelt dat het ‘racisme’ dat deze geblondeerde Indo’s tentoonspreidden hen, net als hun geblondeerde haren, moest beschermen tegen het Indonesische geweld dat tegen Indo’s losbarstte tijdens de bersiap. Deze paradoxale overlevingsstrategie is zonder grote en gedetailleerde kennis van plaats en tijd onmogelijk te doorgronden. Alleen de tragiek ervan staat als een p**l boven modderig water.
WAT BETREFT DE GESCHIEDENIS van Wilders’ grootvader Johan Ording stak de zaak wat anders in elkaar dan het dossier kennelijk mocht prijsgeven. Dat vele stukken als ‘geheim’ waren geclassificeerd en dat de afdoening op het hoogste niveau in Den Haag had plaatsgevonden had bep**lde vermoedens bij me doen rijzen, maar uit niets in de documenten bleek – vanzelfsprekend – dat ze deel uitmaakten van een koloniaal doofpotje.
Toch was dat het geval. Daarover werd ik ingelicht door een familielid van de man die in 1933 een grote fraude- en corruptiezaak aan het licht bracht, de sous-chef van de afdeling Financieel Toezicht van de provincie Oost-Java de heer J. van Dijk (het familielid wil anoniem blijven). Deze Van Dijk trad, vers uit Holland, in 1931 aan als adjunct-inspecteur en als rechterhand van zijn chef Ording, die er toen al veertien tropenjaren op had zitten. Na verloop van tijd was het de 26-jarige, rechtlijnig-gereformeerde Van Dijk op gaan vallen dat Ording nooit met verlof ging – een mogelijke indicatie van (betrokkenheid bij) frauduleuze ambtelijke praktijken. Diens plaatsvervanger zou het immers snel opmerken als er systematische onregelmatigheden in de boeken of contacten voorkwamen.